Een warm bed, een persoonlijke klaagmuur en elke dag schone sokken. Samenwonen met je grote liefde heeft veel voordelen. Ik weet het, ik ben een gezegend mens. Maar ik stuit op iets minder prettigs dat ik eerder alleen uit vrouwenbladen kende: samenwoonvet.
Het bestaat echt.
En niet zo’n beetje ook. Ik vermoed dat mijn vriend een ‘feeder’ is. Dat is iemand die zijn vrouw vetmest zodat hij haar voor zichzelf heeft (na een paar honderd kilo kun je kennelijk je huis niet meer uit).
Mijn vermoedens zijn gefundeerd. Ik ben zes kilo aangekomen sinds ik met hem hok (bewijs), hij sport niet (dus ik ook niet) en hij haalt de boodschappen waarbij hij er goed op let dat hij niks gezonds in huis haalt. ’s Avonds op de bank zegt hij terloops: “Goh, zouden we nog wat lekkers in huis hebben?” Daarna sprint ik naar de keukenkastjes en openbaart zich daar een complete Jamin. Alleen míjn favoriete snoep natuurlijk. Salmiakballen, chocola en lolly’s.
Na twee zakken kleurstoffen ben ik over het algemeen wel misselijk, maar daar heeft hij een oplossing voor: “Er is nog chips, als je dat eet kun je daarna verder met de salmiak.” Het is een tacticus, hoor. Na de chips heb ik inderdaad weer zin in een stuk of twintig dropjes en zo vreet ik met gemak een kilo snoep per keer op.
Ik word dus echt niet vet door zogenaamde aanleg. Ieder pondje wordt me hoogstpersoonlijk door de strot geduwd. Laatst droomde ik ineens dat ik een gans was en dat ik dwangvoeding kreeg. Geen idee waar dat vandaan kwam.
Maar ik vecht terug. En dat werkt: vorige week hoorde ik een luide schreeuw vanuit de badkamer. “Ik ben vier kilo aangekomen”, riep hij verontwaardigd. Sindsdien koopt hij geen snoep meer. Eindelijk mijn zin.
No way dat ik hem ga vertellen dat ik met de weegschaal heb gerommeld.




