Over mij

Mijn foto
Columnist Dagblad van het Noorden. Schrijver. Mailen kan op: rosa@rosatimmer.nl

vrijdag 26 november 2010

Cleo


Een van de meest intense ervaringen in mijn leven is mijn lidmaatschap van studentenvereniging Cleopatra. De eerste keer dat ik binnenliep wist ik niet wat ik zag. Zó veel lelijke mensen bij elkaar? Ongelofelijk!
Er kwam een jongen op me af met lang vlassig donker haar en uitpuilende ogen – dichterbij een hobbit ben ik nooit meer geweest – hij kwijlde zowat in mijn decolleté en zei: “Jezus, wat heb jij inkijk!”
Direct stond een bloedmooi klein meisje op; ze had zelf ook vooraan gestaan toen de borsten werden uitgedeeld. Daarom verdedigde ze me: “Meiden zoals wij hebben altijd inkijk, je kunt niet verwachten dat we elke dag een coltrui aanhebben. Wij willen er ook mooi uitzien!”
Liesje werd een vriendin voor het leven.

Dat vind ik grappig aan Cleopatra, de diversiteit. Het ene moment waan ik me in de Rumba als ik met knappe meidenjaarclub Perfect aan de cocktails zit en de reggaeton uit de boxen klapt, het andere moment staat er plots een lid met zijn broek op zijn enkels een verzonnen verhaal over tradities in de middeleeuwen af te steken en lijkt het alsof ik in de Mesdag ben beland. Het kan allemaal en geen avond is hetzelfde.

Eens klom ik straalbezopen in een steiger tegenover het pand omdat ik probeerde te ontsnappen aan een blinde jongen die me wilde zoenen. Ik heb naast een Cleopatraan gelegen die zich een delirium had gezopen – “ik kan er niks aan doen dat die jongen daar met zijn visnet zit, misschien wil hij wel vet culinaire dingen met die vis doen!” -, en heeft Liesje me geleerd dat je brandwonden van koude dingen kunt krijgen toen ze minutenlang een ijsblokje tegen haar tepel drukte. Die overigens daarna nooit meer hetzelfde is geweest.

In al mijn tijd bij Cleopatra heb ik één fenomeen kunnen vermijden: de kampen. Maar op een avond dat mijn bloed bruin was in plaats van rood – Berenburg – heb ik me laten overhalen. Dit weekend moet ik eraan geloven, het Schierkamp. Benieuwd of mijn tepels dát overleven.

dinsdag 16 november 2010

Rosa, Bill en Jan Wolkers

Ik lees voor uit mijn bundel over Jan Wolkers. Bill Mensema in een bijzondere bijrol...

Dit filmpje is gemaakt door Joppe van der Spoel : www.dewildemuis.nl

donderdag 11 november 2010

Kinderhaat


Misschien verklaar ik mezelf hierbij tot monster, maar ik hou niet van kinderen. Het meest haat ik de kinderen van vier tot zestien. De tijd waarin ze veel lullen, maar niks zeggen. Op zich heb ik niks tegen de zwijgende varianten, maar sinds ik de hamster van een vriendinnetje dertien treden van de zoldertrap heb laten vallen waarna hij met een korte piep zijn entree maakte tot de eeuwige jachtvelden, wil ik ook geen baby’s meer vasthouden.

Helaas zijn kinderen net katten, ze komen juist bij de mensen die een hekel aan ze hebben. Naast de vlooienbaal van de buren cirkelen nu dus ook allerhande zuigelingen rond mijn huis.
Mijn nieuwste ergernis is dat ze mijn hekje beklimmen, berijden en onderkwijlen. En maar janken als ze eraf vallen. Als bonus kijkt de aangesnelde moeder mij woedend aan, alsof ik alle kapotte knietjes persoonlijk van een kus had moeten voorzien.

Kinderen haten mij ook, merkte ik tijdens het deurtje bellen. Ik deed de deur open en wachtte even, ik weet van vroeger dat op je hurken achter een auto zitten niet iets is dat je eeuwig volhoudt. Het nietsvermoedende jongetje kwam weer aanlopen, op naar de volgende bel. Op een paar meter afstand zei ik: “Hallo.” Doodnormaal. Maar hij verstijfde en zijn ogen werden zo groot als schoteltjes. Daarna liep hij gillend weg. Ik ben kennelijk afschrikwekkend.

Sint Maarten leek me een mooi moment voor een staakt-het-vuren. Het begon goed, ik had snoep in huis en iedereen keeg van mij twee (!) lolly’s of koetjesrepen. Niet bepaald een juffrouw Kikkerbil dus. Het ging mis toen een kind plots mijn huis inbanjerde. Bang dat het zou stuiten op mijn rondslingerende vibrator verzocht ik de peuter weer naar mama te gaan. Alleen had ik dat misschien ietsje anders moeten zeggen: “Dat zou ik niet doen hoor, ik verkoop je nieren als je hier naar binnen loopt.”

Ik verwacht geen kinderen meer op mijn hekje.

woensdag 10 november 2010

Boekje


Vind jij deze stukjes leuk?


Ik heb een boek uitgebracht met columns: Allemansvriend.


Te koop in de Selexyz, te leen in de bieb en te bestellen op bol.com voor maar 9,90 E!

Dateloos


Ik verklaar 2009 tot dateloos jaar. Omdat ik het gevoel heb dat dit soort uitspraken nogal bezwerend kunnen werken durfde ik het niet te zeggen. Want iets bij voorbaat verklaren in januari, dat riekt naar een goed voornemen. En ik vind voornemen en Rosa in één zin nogal huichelachtig.

Na mijn laatste date had ik er genoeg van. De man bleek getrouwd. Wist ik niet. Ik was juist zo trots op mezelf dat ik die categorie kerels altijd zorgvuldig had weten te omzeilen. “Maar”, zei hij alsof hij goed nieuws bracht, “ik ben voornemens om te gaan scheiden.” Je ziet, voornemen is echt een slecht woord. Het wordt gebruikt door vuile leugenaars, lafaards of walgelijke schepsels als Andries Knevel.

Getrouwde mannen, bah. Ik zou het nog eerder met een paard doen.
Dan nog een argument om te stoppen met daten: ik kan mijn aandacht er niet meer bijhouden. Laatst werd ik gezoend door de look-a-like van Michael Scofield van Prisonbreak en het enige dat ik dacht was: N-tuples. Totaal irrelevant maar toch: N-tuples toen hij op mijn onderlip beet, N-tuples toen hij door mijn haar streelde. Het is een term van college en ik krijg het niet meer uit mijn hoofd.

Ik heb het gevoel dat het een teken is, dus ben ik gaan rekenen. Het resultaat was schokkend: ik besteed gemiddeld twee uur per dag aan de liefde. De dagen dat ik geen mens spreek zijn al meegenomen. Uitgerekend zijn dat 365 – schrikkeldagen snap ik niet – maal 2 = 730 uur per jaar. Als ik die uren in mijn studie had gestoken had ik 25 ec per jaar meer gehaald. Het begint te dagen: ik moet stoppen met de liefde.

Het gaat goed, ik heb al twee dates afgezegd en drie nieuwe afgeslagen.
In afwachting van mijn prins of prinses op het witte paard, die overigens best tot 2015 gestald mag staan, ga ik cold turkey mijn dateloze jaar in.

Mijn vader gelooft vanaf nu dat God bestaat.

Stelletjesdag


Heerlijk uitslapen met je liefje, films kijken en even wat gaan drinken in een café voor je weer vozend vertrekt naar het bed waar je net uitkwam. Zondag is stelletjesdag. Een zwoele dag die ik zo vaak heb meegemaakt en waarvan ik er nog veel zal hebben.
Denk ik. Maar nu niet, want ik ben single. En wat blijft er over als je al die dingen in je eentje moet doen? Alleen in bed is best leuk hoor, maar van mezelf kom ik binnen vier minuten, dus dan is de hele dag blijven liggen een beetje overbodig.

Een tijdje waren al mijn beste vriendinnen bezet en zat er echt niets anders op dan huiswerk maken, maar gelukkig is dat over. Lisa heeft haar vriendje die aan larpen doet – live action role playing, dat is zoveel als met een ridderpakje door het bos rennen en heel hard gillen – aan de kant gezet. Ik kon mijn blijheid niet bedwingen toen ze het vertelde, zij ook niet: “Zijn zwaard was toch niet groot genoeg.” En samen hebben wij een nieuwe bezigheid voor de zondag: de Jumbo in de Euroborg.

Rond half vijf fietsen we tegen de storm in naar onze favoriete plek. Soms stappen we in de auto maar Lisa weet het verschil tussen een autoweg en fietspad niet precies en rijdt regelmatig bijna kinderbeentjes af. Eenmaal aangekomen met of zonder extra ledematen onder de wielen ontbijten we met een frikadel en kan het feest beginnen.

De hemelse combinatie: gratis eten en honderden mannen. Want kom ik in elke kroeg wel twee exen tegen, hier zijn alleen kerels die ik nog nooit heb gezien! Het lijkt wel of ze zo uit de Jumbovrachtwagen komen, zo vers zijn ze. Ik ben zelden zo vrolijk geweest om rijen bij de kassa.
We kijken ongegeneerd naar Italiaanse hunks, Zweedse H&M-posterboys en gruwelijk gespierde sporters.

Ik vrees dat deze zondagtraditie aan zijn eigen succes ten ondergaat. Nog even en ik kan weer meedoen met stelletjesdag.

Dictatuur van het scherm


Blaasontsteking, meer hoef ik voor vrouwen niet te zeggen. Voor de mannen: het is de hel. Gooi eens kokend water over je miep, dat is ongeveer hoe het voelt.
Ooit had ik het dertien keer in één jaar. Als ik het nog een keer zou krijgen moest ik een speciaal antibioticum. Dus de veertiende keer belde ik op: “Het is de veertiende keer, de dokter zou me nu dat andere voorschrijven.”

Doktersassistente: “Nee het is de dertiende keer.” Ik: “Maar afgelopen week was de dertiende keer.” Zij: “Je hebt afgelopen week geen blaasontsteking gehad.”
Ik kon het niet geloven. Iedereen die het weleens gehad heeft, weet dat het geen moment is om bijdehand te doen. Er zou zomaar iemand met een bijl op je af kunnen komen. “Mevrouw, zou ik dat zelf niet beter weten”, zeg ik terwijl ik de nek van de kat van de buren omdraai, maar nee! “Ik zie het hier niet staan, goedemiddag!”

Welkom in onze bureaucratie waar computer dictator is.

Laatst had ik eenzelfde soort akkefietje bij de klantenservice van Hi. Waar ze overigens sowieso in een parallel universum leven – drie minuten wachttijd betekent acht minuten muziek en daarna opgehangen worden. Wat nog erger is: ze luisteren alleen naar hun scherm. Ik vertel dat ik al maanden wacht op een nieuwe telefoon − “Staat niet op mijn scherm.” Ik zeg dat ik zes keer ben neergelegd − “Kunnen wij hier niet zien.” Ik vraag hem of alles wat niet op hun scherm te lezen is dan ook niet bestaat? Rolf: “Hebt u soms een grote mond mevrouw?” Ik : “Staat dat op je scherm, Rolf?” “Nee.” Ik: “Nou dan.”

Ik werd doorverbonden naar Jorgen, de leukste jongen van KPN die me een tip gaf: “Je moet ze gewoon vertellen dat je je abonnement wilt opzeggen, dan krijg je hele aardige mensen.”
De telefoon werd geleverd, ook al stond het niet op het scherm. De antibiotica kreeg ik pas bij de vijftiende keer. En als ik de dokter nu bel, hoop ik dat Jorgen opneemt.

maandag 8 november 2010

Onbeleefd


“Nou ik weet wel waarom jij een uitgever hebt, als je zulke leuke jurkjes aantrekt kom je overal aan de slag.”

Ik kijk op van mijn gesprek met een vriendin. Voor me staat een man van in de dertig, beetje shabby gekleed, mij lachend aan te kijken. De mensen om hem heen lachen schaapachtig mee.
Vroeger had ik daar geen last van, toen was ik nog lelijk. Bek met fietsenrekje, broodmager en eczeem. Ik schreef wel en daar ging het dan ook om. Ik was “het meisje van de buurtkrant”. Altijd op mijn kamer aan het tikken op mijn knetteroude tekstverwerker. Met oranje letters. Ik schreef omdat alleen op die manier mensen naar mij luisterden.

Nu is dat anders. Moeder Natuur besloot de verloren jaren goed te maken door me een dubbel D-cup te geven. Niet mijn smaak, maar het is niet anders. Ik kreeg er een prettig gezicht bij en mijn haren liet ik groeien. Ik ben leuk opgedroogd, zoals dat heet.
Plots kreeg ik aandacht om hoe ik eruitzag. Apart. Maar te veel. Ineens moet ik vechten om met mijn intellect mijn uiterlijk te ontstijgen.
De man blijft staan en ik zeg niets terug.

“Kijk niet zo zuur, het is een compliment hoor”, zegt hij dan.

“Nee, het is geen compliment, het is onbeleefd.”
Ik kijk hem strak aan. Ik weet wat er nu komt en het komt ook. Hij haalt het grootste cliché uit de kast: “Ach ja, geef ik eens een compliment over het uiterlijk, wil ze weer geprezen worden om haar mooie persoonlijkheid.”

Zo gaat dat dus. Hij heeft het liefst dat ik kirrend aan het tafeltje blijf zitten, een beetje bloos en dan ‘dank u wel, meneer’ zeg. Even vergeten, we leven nog in de middeleeuwen. Maar ik zal braaf zijn en het voor eens en altijd eerlijk toegeven aan die meneer. Leuke jurkjes, dikke tieten en een gezellige kop. Precies dát is de reden waarom ik een boek heb. En jij niet.